Frankenstein werd eerst anoniem gepubliceerd in 1818, maar in 1831 verscheen een door Mary Shelley sterk herziene versie onder haar eigen naam. Het boek heeft als ondertitel The Modern Prometheus, waarmee het verhaal van Frankenstein in zichzelf ook een hervertelling van een klassiek verhaal is. Het wordt vaak gezien als het eerste echte sciencefictionverhaal: geen magie, maar wetenschap als scheppende kracht. Ik was vooral benieuwd waarin het verhaal dat ik dacht te kennen zou afwijken van het origineel.
Wat meteen opvalt, is hoe weinig er eigenlijk gebeurt. Waar de films vaak draaien om spektakel, geweld en visuele iconografie, is het boek juist ingetogen. Er vloeit nauwelijks bloed. De horror zit niet in wat je ziet, maar in wat je voelt: een constante dreiging, een gevoel van naderend onheil dat de hoofdpersoon als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Ook de manier waarop het monster wordt neergezet is anders. Frankenstein noemt zijn creatie geen ‘monster’, maar “wretch” ellendeling. Dat woord draagt medelijden in zich. Het schepsel is niet alleen afschrikwekkend, maar ook tragisch, verstoten en alleen.
Het grootste verschil zit misschien wel in de beroemdste scène: het moment waarop het monster tot leven komt. In vrijwel elke verfilming is dit een groots spektakel. Een kasteel, een storm, bliksem die door machines wordt geleid, een explosie van licht en geluid. Het moment waarop de mens letterlijk de krachten van de natuur naar zijn hand zet.